Een reactie plaatsen

(57) Processies in Axel

Queryn Brant

Item her queryn brant presbytere dewelck
ghemaect heeft een nieuwe slede
van sente ursele ende eene van sente cecilie
die de Retorycke van deser stede vut
zetten moeten zonder der stede cost
Maer hemlieden es toegheleyt thulpen
den extraordinaire costen v pond parisis
1

Deze post uit de stadsrekeningen van Axel laat zien dat rederijkers in die plaats betrokken waren bij de processie. Queryn Brant, priester en organist, was vele jaren een van de organisatoren van de processie in Axel. Zijn vermeldingen in de stadsrekeningen zijn legio, maar nergens vinden we een bewijs dat hij rederijker was, ook in het citaat hierboven niet. Dus we kunnen hem (nog) niet boeken als rederijker.

Opvallend is dat de rederijkers de heiligen Sint-Ursula en Sint-Cecilia uitbeeldden, waar je Sint-Ontcommere (de patroonheilige van de kamer van Axel) zou verwachten. De laatste heeft trouwens als overeenkomst met Sinte Cecilia dat zij allebei werden gedwongen te trouwen. Rond de processie vinden we allerlei kosten vermeld in de stadsrekeningen, maar de informatie over welke taferelen te zien waren, blijft daarbij achter. Wel genoemd worden: duivels, huisjes die getrokken werden, Sint Joris en de draak, Sint Sebastiaan en Sint Victor, een reus, (de bursse van) Judas (met datter inne ghesteken was), de hel enzovoorts, genoeg om je enigszins voor te stellen wat er te zien geweest zal zijn.

Ook opvallend is het gegeven dat de rederijkers de sleden moesten bemannen en laten uitgaan zonder dat het de stad iets zou kosten. Uitgezonderd daarvan waren buitengewone kosten en het maakwerk van Queryn Brant behoorde kennelijk tot die categorie.

Stadsrek 605 J 128 02 1532-1533 32v

De betaling van 5 pond aan Queryn Brant

Processie Axel 1556

Het gebruik van sleden om taferelen uit te beelden was in die dagen gemeengoed. Dat blijkt ook uit de processie van 1556, zo’n 20 jaar later. Was er hierboven vooral aandacht voor heiligen en duivels, hierna gaat het over tableaus met bijbelse voorstellingen. Hoe de ontwikkeling bij de achtereenvolgende processies precies is verlopen, kan pas worden vastgesteld als we alle jaren met elkaar vergelijken. In 1556 lijkt het dat we te maken hebben met een min of meer gestandaardiseerde optocht. Per ghebuerte (straat, buurt of wijk of deel ervan) verzorgde men gezamenlijk een slede. Elk jaar gaat het daarbij om dezelfde taferelen en om dezelfde volgorde in de optocht. Vergelijk met de optocht uit 1550 maakt dat duidelijk. 2 Alleen de laatste twee posten zijn in 1556 toegevoegd ten opzichte van 1550. Het is niet bekend of en in hoeverre rederijkers hebben deelgenomen aan de ommegang van 1556.

Eerst ghepresenteert der ghebuerte van coolaert
de schietre ende eloy snoucq met huerlieder consorten
voor tvutreeden van deerste slede, hoe Adam
ende Eva veriaecht waeren vuten paradyse vyf
poortkannen ten xviij grooten de poortkanne ij karolusgulden v stuijvers

Item ghepresenteert der ghebuerte vanden huuse
vincent persoon streckende tot ende metten huuse
Jan persoon voor tvutreeden vanden slede van
abraham ende ysaac iiij poortkannen xxxvj stuijvers

Item ghep[rese]nte[er]t der ghebuerte vand[en] cooremaerct
voor tvutreede[n] vand[en] derde slede hoe moyses
de geboden ontfynq, en[de] Aaron tgulden
calf ghoot vj poortk[annen] ij karolusgulden xiiij stuijvers

Item ghepresenteert der ghebuerte van pietere
smet ende thuus meestere pietere pit met huerlieder
consorten voor tvutreeden vanden vierde
slede wesende de bootscap van maria iij
poortkannen xxvij stuijvers

Item ghepresenteert der ghebuerte streckende van
anthuenis vernestele westwaert tot ende metten
huuse van heer pauwels dullaert ende
heer cornelis de durpere voor tvutreeden vanden
ve slede wesende betlehem iiij poortkannen xxxvj stuijvers

Item ghepresenteert der ghebuerte van stan de grauens
tot ende metten huuse Lieuin goossins voor
t vutreeden vanden vje slede daer ons heere
Inden tempel onder de docteurs zidt iiij poortkannen xxxvj stuijvers

Item ghepresenteert der ghebuerte streckende vanden
huuse michiel de brune westwaert tot ende
metten huuse pieter de voghelaere ouere beede
zyden vanden strate voor tvuytreeden
vanden vije slede wesende herodes met
zynen knechten iij poortkannen xxvij stuijvers

Item ghepresenteert der ghebuerte streckende vanden
huuse Jan euerdeys, tot ende metten huuse
Jacop de Ionghe vp beede de zyden vanden
straten voor tvutreeden vanden slede wesende
ons heere Int houeken v poortkannen ij karolusgulden v stuijvers

Item ghepresenteert der ghebuerte streckende
vanden huuse heer cornelis ende heer pauwels
westwaert tot adriaen spruytens voor
tvuytreen vanden xe slede wesende daer
annas Inden troone zidt ende noch een
andre daer cayphas Inden troone zidt
iiij poortkannen xxxvj stuijvers

Item ghepresenteert der ghebuerte vanden maerct
voor tvuytreen van drye sleden te wetene
Pilatus Inden troon Herodes ende den
berch van caluarien tsamen x poortk[annen] iiij karolusgulden x stuijvers

Item ghepresenteert der ghebuerte streckende
vanden huuse yngle boone tot stadtboom vp
beede zyden vanden strate voor tvuytreeden
vanden xje slede te wetene daer Iudas
In verhanghen was iiij poortkannen xxxvj stuijvers

Item ghepresenteert der ghebuerte streckende
vanden huuse salomon olivierssoone tot ende
metten huuse peetken meersman voor
tvuytreen vanden slede vanden gheesselinghe
onsheeren iiij poortkannen xxxvj stuijvers

Item ghepresenteert der ghebuerte streckende vanden
huuse anthuenis houcke metten wacken dale
tot ende metten hospitael straetken voor tvuytreen vanden
slede daer onsheere
ghecroont was iiij poortkannen xxxvj stuijvers

Item ghepresenteert der ghebuerte
streckende vanden huuse Jan buyse
vp beede de zyden vanden strate
tot ende metten huyse bauwen bake
voor tvuytreen vanden slede daer
pilatus ons heere den volcke vertoochde
v poortkannen voorzeid ij karolusgulden v stuijvers

Item ghepresenteert der ghebuerte van Ian
de smet euerden vp beede zyden vanden
strate tot ende metten huuse willem dhooghe
voor tvuytreen van onsheere ende Ioden metten
Loopende cruyce vj poortkannen ij karolusgulden xiiij stuijvers

Item ghepresenteert der ghebuerte streckende vanden
huuse salomon kerstens westwaert tot ende
metten huuse Ian zacq ende Lieuen tayaert voor
tvuytreen vanden slede vanden verrisenesse
onsheeren v poortkannen ij karolusgulden v stuijvers

Item ghepresenteert der ghebuerte streckende
vanden huuse van crispiaen de zuttere tot
ende metten huuse Joos corseel vp
beede zyden vanden straten voor tvuytreen
vanden Reuse iij poortkannen xxvij stuijvers

Item ghepresenteert der ghebuerte vander
clyncke muelene vertooghende tvrauken
van samarien iij poortkannen xxvij stuijvers
3

Bronnen

1. GA Axel 605 J 128, Boek der Stadsrekeningen 02 1532 1533, 32v. De afkortingen zijn opgelost.
2. J. Wesseling, De geschiedenis van Axel, Groningen 1966, 38.
3. GA Axel 607 J 129a, Boek der Stadsrekeningen 03 1555 1556, 126r-127v. In verband met de leesbaarheid zijn de vele afkortingen voluit geschreven.

Geplaatst door Jan van Loo op 29 december 2017.

Advertenties
Een reactie plaatsen

(56) Rederijkers in Waarde

Oudste vermeldingen

RAZE 3519, f. 69r, 20-10-1566
Coman Adriaen Willems heijst ter vierschaere nomine Lucas Melchiors eenne Jan Engels als deecken van het gilde van Retorijcken, ende dat van drie tonnen moselaers facit 24s, bij verwiltcueringe van partie verstelt ten naesten 1
Jan Engels wordt op 20 oktober 1566 als deken van het gilde van Retorijcken veroordeeld tot betaling van 24 schellingen voor 3 tonnen Moezelwijn. Tot nu toe was dit het enig bekende gegeven over rederijkers in Waarde.

RAZE 3520, f. 35r, 17-1-1568
Cornelis Jacobs Boudewijns nomine zijnder huijsvrouwe voor zijnentwege 20s 2gr ende van de retorijcke wege 27s ende (…..)
Cornelis Jacobs Boudewijn eist namens zijn vrouw 27 schellingen wegens de rederijkers. Waarom is niet duidelijk en er wordt ook geen naam vermeld aan wie de eis gericht is.

RAZE 3520-1, f. 8r, 23-9-1568
In het blog Rederijkerskamer in Kruiningen zagen we al dat van Nicolaes Cornelis Ketser 5 schellingen werden geëist vanwege het opschoote van den voegel vande retorijcke van Cruijningen. Het is onzeker of Ketser rederijker was.

Willem Quirijns

RAZE 3520-1, 19v, 27-11-1568
Willem Quirijns, deken van het rederijkersgilde eist van Jan Pieter Geerts het gildegeld van 6 schellingen. Veel helpt dat niet, want op 5 februari 1569 herhaalt Quirijns zijn eis (RAZE 3520-1, f. 28r). Geerts was niet de enige schuldenaar, want wegens verteerde costen wordt het bedrag van 5 schellingen en 4 grooten eveneens geëist van Willem Corneliss, Jan Jacobs Roel en Nicolaes de Naijer. Ook bij hen is de wens om te betalen niet groot, want Quirijns moet nog diverse keren eisen dat er betaald wordt. Gezien de verteerde costen lijkt het erop dat Quirijns herbergier was en dat zou kunnen betekenen dat de kamer bij hem in de herberg de bijeenkomsten hield. Dat hij herbergier was, wordt ondersteund door het feit dat er van hem nog diverse andere eisen zijn vermeld in verband met bierschuld. Later blijkt hij echter op te treden als algemeen aanklager en begin jaren zeventig is hij zelfs schepen.

Cornelis Jacobs Boudewijns/Bouwens

Handtekening_cornelis_jacobs_bouwens

RAZE 3523, 19v, 24-5-1581
We kwamen hem al tegen in 1568 toen hij geld eiste van het rederijkersgilde. Deze keer staat hij vermeld als dijkgraaf en als deken van de kamer. Samen met Pieter Pieters Leeuwe eist hij het gildegeld van Cornelis Anthonies. Ook dit wordt herhaald. Tussen Anthonies en Boudewijns speelde ook nog een andere kwestie.

Interessant is het volgende: Cornelis Jacobs Boudewijns dijckgrave als deken van Rhetorica heijst [naam ontbreekt], 2 viertelen terwe ofte 16s voor elck viertele dwelck blijckt dat de Camer van Rhetorica toebehoort vuijtwijsende haere cuere bijde ambacgtsheeren onderteijckent tjaers eene viertele tot 2de jaeren overloopende. Verstelt.
Er blijkt een keur te bestaan, dat de kamer jaarlijks recht geeft op een deel van de tarweoogst. De ontbrekende naam aan wie de eis is gericht, is die van Cornelis Anthonies, want op 10 en 21 juni gaat het opnieuw over deze kwestie en wordt zijn naam wel genoemd. De vierschaar oordeelt uiteindelijk dat Anthonies bewezen heeft dat hij niet hoeft te betalen.

RAZE 3523, 22v, 21-6-1581
Cornelis Jacobs Boudewijns meent, uit naam van de rederijkers, ook nog iets tegoed te hebben van Jan Willeboorts. Via de transcripties blijft onduidelijk wat Willeboorts moet leveren. De vierschaar beslist uiteindelijk in zijn voordeel op 1 juli 1581.

Tenslotte

RAZE 3523, 27r, 21-10-1581
Pieter Leeuwe heijscht Jan Meeuss (gildegelt van Retorijcke)

RAZE 3524, 63v, 27-9-1586
Cornelis Matthijss gedaecgt hebbend Macharis Willems (verteerde costen op retorica gedaen)

Conclusies

De eisen gaan over gildegeld, betalen wat verteerd is en leveringen aan het gilde volgens een bestaande keur. Het draait steeds om geld. Wat opvalt zijn de pieken in de eisen, de jaren 1560 en 1580. In de jaren 1570 is er zelfs geen enkele aanklacht. Wat is daarvan de oorzaak? Gaat iedereen dan ineens braaf alles betalen?

Het ligt voor de hand om aan te nemen dat het bij al die vermeldingen om een en dezelfde rederijkerskamer gaat (maar dat is niet zeker): Cornelis Jacobs Boudewijns was namelijk in 1568 ook al in contact met de rederijkers. We komen weinig aan de weet over de gang van zaken in en rond de kamer. Het belang van deze ca. 15 vermeldingen schuilt dan ook met name in de hoeveelheid namen, die we daardoor kennen. En sommige van deze personen komen zo vaak voor in de RAZE Waarde, dat je moeiteloos een dossier van ze kunt aanleggen. Tijd voor vervolgonderzoek, tijd voor een werkgroep Zuid-Beveland!

Rederijkers in Waarde 1566-1586

1566 Jan Engels (deken)
1568 Cornelis Jacobs Boudewijns; 1581 (deken)
1568 Nicolaes Cornelis Ketser (onzeker)
1568 Willem Quirijns (deken); 1569 (als ?)
1568 Jan Pieter Geerts; 1569
1568 Willem corneliss
1568 Jan Jacobs Roel
1568 Nicolaes de naeijer
1581 Pieter Pieters Leeuwe
1581 Cornelis Anthonies
1581 Jan Willeboorts
1581 Jan Meeuss
1586 Cornelis Matthijss

Bronnen

1. Deze informatie was al bekend uit RA Middelburg, Rechterlijke archieven van de Zeeuwsche Eilanden, Archief van het gerecht van Waarde, 1519, gerechtsrol 1565-1567, f. 69. De vermelde datum aldaar is 26 oktober 1566. Alle RAZE-vermeldingen Waarde in dit blog zijn in transcriptie te downloaden via http://www.chielsmallegange.nl/notaris_levendale.html.

Geplaatst door Jan van Loo op 7 december 2017.

Een reactie plaatsen

(55) Rederijkerskamer in Kruiningen!

Ontdekking nieuwe kamer

Vele uren brengen wij door in archieven en doorvorsen wij archivalia op zoek naar gegevens over “onze” Zeeuwse rederijkers. Eenmaal iets gevonden, dan slaan wij aan het transcriberen. Deze noeste arbeid is zo’n normale gang van zaken dat je de bronnen “die voor het grijpen liggen” veronachtzaamt. In dit geval zijn het links op de website van het archief van Goes van enkele rechterlijke archieven in Zeeland (RAZE). 1 Die leiden naar getranscribeerde teksten die je op (delen van) trefwoorden kunt doorzoeken. Hoe simpel wil je het hebben? Het aangename van de rechterlijke archieven is bovendien het gegeven dat er altijd namen vermeld worden. Het resultaat is twee mooie en interessante posten over een rederijkersgilde in Kruiningen!

De gaai schieten

23 september 1568: coman Adriaen Willems nomine Jan Gilliss heijst ter vierschare Nicolaes Corneliss Ketser ende dat achtervolchende zeecker obligatie bij Nicolaess zone onderteijckent den somma van 22s, ende noch van opschoote van den voegel vande retorijcke van Cruijningen de somma van 5 s[chellinghen] 2

Gaai schieten
De eiser is Adriaen Willems uit naam van Jan Gillis en voor de vierschaar eist hij van Nicolaes Corneliss Ketser onder andere 5 schellingen voor het schieten van de vogel van de rederijkers in Kruiningen. Verder is het van belang te weten dat deze vermelding in de RAZE van het plaatsje Waarde staat. Het schieten van de gaai (zoals dit ook wordt genoemd, de afbeelding dateert uit de 16e eeuw) is een gebruikelijk feest ter ere van de nieuw gekozen koning van de kamer en vindt zijn oorsprong bij de schuttersgilden. 3

Is Nicolaes een rederijker uit de kamer van Waarde en is deze kamer uitgenodigd voor het feest bij de buren in Kruiningen? Was het een wedstrijd tussen de kamers? Waren er nog meer kamers bij betrokken? Waarom eist Jan Gillis dit bedrag? Heeft hij de betaling voorgeschoten? Misschien als deken van de kamer? We weten het niet.

De conclusies die je wel kunt trekken, zijn:
1. In 1568 bestaat er een rederijkerskamer in Kruiningen.
2. Nicolaes Corneliss Ketser is mogelijk een rederijker uit Waarde.
3. Er lijkt contact te bestaan tussen de kamers van Waarde en Kruiningen.
4. Bij de rederijkers in Kruiningen werd de gaai geschoten.

Dronkenschap

Pieter Lucas, chirurgijn, inwoner van Kruiningen, verklaarde gehoord te hebben dat Anthoine Tartron:

31 maart 1584: staende voor tslaghhuijs van Bastiaen Jacobsz, op de strate, binnen der voormelder parochie, seijde int openbaere: Ic hope noch den tijdt te leven dat ic dese predicanten met hun aanhangers, sal helpen uijtsmijten. Seijt hij deposant dat daer beneffens stondt Domis Jacobsz, die anders daer op niet en antwoordede dat wat can tbier doen, want hij Tartron quamp (wel bij droncke zijnde) vuijt de vergaderinghe vande camer van rethorijcken van Cruninghen 4

Ook de verklaring van de hierboven genoemde Domis Jacobsz is opgetekend:

31 maart 1584: Dat hij met Anthoine Tartron geweest es binnen de vergaderinghe van de rethorijcke aldaer, sonder te weten den precijsen dagh. Ende hij deposant van daer vuijtgeghaen zijnde, alsmen daer die rekeninghe dede, ende questie was Of eenen Marinus de Waghemaecker (eertijds onder tghilde geweest hebben, dan nu hem absenterende) behoorde mede gerekent te werden oft niet, Es hem deposant (staende op de straete) gevolght A.Tartron voornoemd, die wel versmoort dronkigh was, sulcx dat hij deposant een luttel daer naer, hem nae huijs moeste leijden. Ende als den selven Tartron bij den deposant comen was, seijde hij Tartron, Dien Waghemaker en wil int ghilde niet ghelden, Ic sal hem noch metten predicant den dorpe vuijtjaeghen. Waer op hij deposant antwoordede: Ghaet naer huijs, ghij sijt dronkigh

Laten we de feiten eens bekijken en onze fantasie gebruiken om te duiden wat hier gaande was. Er zijn om te beginnen verschillende getuigen:
1. Pieter Lucas, chirurgijn, ca. 36 jaar en inwoner van Kruiningen;
2. Domis Jacobsz, ca. 40 jaar, inwoner van Kruiningen en schepen.
De verklaring van 2 is uitgebreider dan die van 1. Zij getuigen van het feit dat Anthoine Tartron in het openbaar heeft gezegd dat hij zou meewerken om predikanten en hun aanhang te verjagen. De locatie is: de straat (voor het slachthuis van Bastiaan Jacobsz.). Anthoine Tartron en Domis Jacobsz kwamen van een bijeenkomst van de rederijkerskamer van Kruiningen en Tartron was dronken.

De eerste vraag die zich aandient, is waarom maakt men zich zo druk om Tartron? Tartron had een voorbeeldfunctie in het dorp, want hij was al 14 jaar schepen.5 Stel je voor, een oudgediende van de magistraat, die zwaar dronken over straat gaat en predikanten verkettert. Dat moet een enorme rel geweest zijn. De tweede vraag is wat die twee schepenen, Anthoine Tartron en Domis Jacobsz te zoeken hadden in de rederijkerskamer van Kruiningen. Het antwoord ligt voor de hand: zij waren lid van de kamer. Jammer trouwens dat Jacobsz zich niet meer herinnert welke dag het was. Wat hebben zij daar gedaan? In ieder geval een glaasje gedronken en waarschijnlijk gedelibereerd over geloofszaken. Je kunt je afvragen of Tartron wel zo dronken was; het kan ook een poging zijn geweest van collega schepen Jacobsz om de ondoordachte uitlating van Tartron richting predikanten te verklaren. Als je nuchter bent, doe je zoiets natuurlijk niet.

In de verklaring van Jacobsz komt nog een tweede kwestie naar voren. Bij het opmaken van de (jaar)rekening was het de vraag of Marinus de Waghemaecker meegeteld moest worden of niet. Hij was voorheen namelijk lid van het gilde en nu niet meer. Tartron vond dat hij er niet bij hoorde en net als de predikant, moest hij uit Kruiningen verbannen worden. De reden hiervan blijft onvermeld.

De conclusies die je kunt trekken, zijn:
1. In 1584 is er nog steeds een rederijkerskamer (dezelfde?) in Kruiningen.
2. Marinus de Waeghemaker is in ieder geval in 1583 lid geweest van de kamer, maar heeft die verlaten voordat in 1584 de jaarrekening werd opgemaakt.
3. Anthoine Tartron en Domis Jacobsz, beiden schepen, waren hoogstwaarschijnlijk lid van de rederijkerskamer van Kruiningen.
4. Kruiningen kende verzet tegen de lokale predikant en het lijkt erop dat er rederijkers betrokken waren bij deze stellingname.

Tenslotte

Tussen de eerste en de tweede vermelding liggen ruim 15 jaar. Als rederijkers al die jaren actief geweest zijn, zal er nog meer materiaal te vinden zijn. Er liggen in die hoek van Zeeland diverse dorpen zoals Kruiningen, Waarde, Krabbendijke, Oostdijk en Yerseke. Er is een gerede kans dat je bij grondig onderzoek niet alleen onderlinge contacten kunt vaststellen, maar hoogst waarschijnlijk vind je nog andere nieuwe kamers. Zeer binnenkort wordt er in ieder geval nog meer – thans nog onbekende – informatie uit deze hoek gepresenteerd.

Bronnen

1. Je komt dan terecht op http://www.chielsmallegange.nl/notaris_levendale.html met uitgewerkte transcripties van notaris Levendale uit Goes. Er zijn ook transcripties van zijn opvolger notaris Wisse en van de plaats Waarde.
2. RAZE 3520-1, rechts, fol 8, 23-9-1568.
3. Wie meer wil weten over deze traditie kan terecht bij http://www.huubkroniek.nl/download/2-HetGaaischieten.pdf.
4. RAZE 2038, f. 243, 25-4-1584. Niet alles lijkt getranscribeerd van dit verbaal.
5. RAZE 2038, f. 253, 30-5-1584. N.a.v. een onderzoek betreffende schepenbrieven worden alle schepenen gehoord. Naast de letterlijke weergave van de verbalen uit noot 4 en 5 wordt tegenstrijdige samenvattende informatie gegeven over Domis Jacobsz. Bij 4 wordt hij schepen van Yerseke genoemd en bij 5 wordt gesuggereerd dat hij schepen van Kruiningen was, wat waarschijnlijk correct is.

Geplaatst door Jan van Loo op 4 december 2017.

 

Een reactie plaatsen

(54) Publieksdag 2017

Rederijkersonderzoek Zeeuws-Vlaanderen

Op 18 november 2017 heeft het project Rederijkersonderzoek Zeeland een publieksmiddag in Axel gehouden in Het Warenhuis, museum het land van Axel. Naast support van het museum werd de middag mede mogelijk gemaakt door ondersteuning van de werkgroep cultuurhistorie van het Zeeuws Genootschap en de provincie Zeeland.

Foto Het Warenhuis

Museum Het Warenhuis naast het gemeentehuis in Axel

De organisatie van dit evenement lag in handen van de afdeling Zeeuws-Vlaanderen en die streefde ernaar om aandacht te besteden aan de gehele regio van dit deel van Zeeland. Er werden lezingen gegeven door de projectleiders en leden van de werkgroep. Een zanggroep zorgde voor de nodige afwisseling tussen de lezingen.

Allereerst werd uitgelegd dat rederijkers in hun rederijkerskamer bijeenkomsten hielden om zich te bekwamen in de rethorica, in de leer der welsprekendheid. Dat gebeurde onder andere door het maken en voordragen van teksten en gedichten en door toneelopvoeringen. Bekend zijn ook de wedstrijden tussen de kamers onderling. Hun allergrootste belang vinden we in de publieke sfeer: niet zelden speelden zij een invloedrijke rol in de publieke opinievorming. Hun bloeitijd was grofweg van 1450-1650.

Een bekende wedstrijd was de rederijkerswedstrijd te Gent in 1539, waaraan ook Axel meedeed naast 18 andere deelnemers. De opdracht was om een spel van zinne voor te dragen, dat antwoord gaf op de vraag wat de mens de meeste troost bood op zijn sterfbed. Met 19 deelnemende kamers had men daarvoor ruim 10 dagen nodig. Met de reformatie in opkomst kon het niet uitblijven dat elementen van de nieuwe opvattingen (met name van Luther) van de christelijke leer opdoken in de spelen, dan wel dat men onvrede uitte richting het reguliere roomse leven. In de lezing werd benadrukt dat bijvoorbeeld in de uitgebeelde tableau vivants (levende beeltenissen van bijvoorbeeld een bijbelse voorstelling) de katholieke traditie ook nog volop aanwezig was. De toenmalige overheid was echter wakker geschud en trad op door verspreiding van de gespeelde stukken te verbieden.

Op verschillende gebieden waren er in Gent prijzen te winnen, zoals voor het schoonst inkomen, het verst en de kerkgang. Voorafgaand aan de toneelopvoeringen vond er een kerkdienst plaats waarbij de kamers ook een rol speelden en een prijs konden winnen. De magistraat van Axel had hierbij hulp gevraagd aan Lupus (Wulfaert) Hellinc, die met zijn Sint-Donaaskoor voor de stad Brugge aanwezig was. Zijn koor trad op in de mis met de Axelse rederijkers. Lupus Hellinc, afkomstig uit Axel, werd priester en was als zangmeester verbonden aan de St.-Donaaskerk. Zijn hulp heeft niet mogen baten: uiteindelijk won Axel geen enkele prijs. Maar wij waren wel geholpen met Lupus Hellinc, want behalve zangmeester was hij ook componist en wel een zeer verdienstelijke. Hij schreef motetten, koralen en zelfs parodiemissen. Een voor deze middag samengesteld koor bracht enkele van zijn werken ten gehore.

Gezien de locatie had Axel het recht op de meeste aandacht. Zo kwam Jacob de Hond ter sprake naar aanleiding van zijn versie van de Kroniek van Vlaanderen. Hij heeft er informatie over Axel aan toegevoegd. Dit handschrift is tot op heden onvindbaar. Er is trouwens nog geen bewijs gevonden dat hij rederijker was.

Het rederijkersgilde van Axel heette Sint-Ontcommere, dat zich op het rederijkersgilde presenteerde met een blazoen genaamd De vier melkteelen. Het zinnespel dat zij opvoerden in Gent is vermoedelijk geschreven door Wulfaert Weystere die in die jaren de facteur was van Sint-Ontcommere. Als deken (hoofdman) ging Heyndric de Meyere mee. Een bekende en zeer actieve rederijker rond het begin van de zestiende eeuw was Jan Pierins.

Een stad die van ca. 1440 – ca. 1680 rederijkersactiviteiten heeft gekend, is Sluis. Of er een of meer rederijkerskamers zijn geweest, is onbekend. Zeker is dat er rond het midden van de 17e eeuw een kamer was met de naam De Distelbloem. Door oorlogshandelingen is een groot deel van de archivalia van Sluis verloren gegaan. Desondanks zijn er flink wat gegevens over de geschiedenis van de rederijkers bij elkaar gesprokkeld, maar meer dan brokstukken zijn het nog niet.

Tenslotte kwam Hulst aan de orde met een rederijkersstuk dat gedurende een half jaar opgevoerd zou zijn in 1776 door de rederijkerskamer De heilige Transfiguratie en dat terwijl er geen enkel bewijs voorhanden is dat de kamer toen nog bestond. Het blijkt te gaan om een satirisch stuk appellerend aan situaties in Hulst. Zo werd aangetoond dat met de drie schriftgeleerden uit het hekelspel de toenmalige predikanten uit Hulst werden bedoeld.

Wilt u meer weten over de rederijkers of wilt u met ons meedoen, kijk dan op https://rederijkerszeeland.wordpress.com/ .

Werkgroep Zeeuws-Vlaanderen

Geplaatst door Jan van Loo op 29 november 2017.

Een reactie plaatsen

(53) Adriaan van der Brugghe en Sluis

Inleiding

“Na deze ruzies trekt Van der Brugghe zich terug uit het literaire leven van zijn stad en vestigt hij zich vlak over de grens in het Noorden. Als huisdichter van de familie van Antoon Balckenende in Sluis, met wie hij al langer in contact staat, schrijft hij gelegenheidswerk bij de grote en kleine gebeurtenissen van het familieleven.” 1 Het is dit citaat van Tom Verschaffel in zijn literaire geschiedenis van de 18e eeuw in de Zuidelijke Nederlanden, dat onze interesse wekte. Want de ruzies waren met de rederijkerskamers van Brugge, de een na de ander, en het lijkt erop dat we dus in Sluis ergens begin 18e eeuw – een jaartal noemt Verschaffel niet, maar vermoedelijk in ca. 1715 – met Adriaan van der Brugghe een Brugse rederijker in huis hebben. Een goede reden om na te gaan wie hij was, vooral omdat Verschaffel alleen de ruzies benadrukt en de suggestie wekt dat Van der Brugghe na zijn vertrek uit Brugge niet verder kwam dan alleen het maken van wat huiselijke poëzie. De betekenis van deze notoire intrigant, zoals hij hem betitelt, voor de literatuur blijft in feite echter onbelicht.

Het manuscript

“Veel heeft hij niet gepubliceerd, maar hij schrijft wel een groot aantal gedichten(…).” 2 Huygebaert is specifieker dan Verschaffel in de beschrijving van de dichtwerken van Van der Brugghe: hij toont het grote aantal aan en geeft tal van voorbeelden en citaten uit het oorspronkelijke handschrift. De gedichten zijn gebundeld in een verzamelband van 626 bladzijden, waaraan 73 blz. ontbreken. 3 Elk gedicht blijkt voorts voorzien te zijn van een datum en ondertekening door Adriaan. 4 .

Antoon Balckenende

Adriaan leefde van 1664-1727 was ongehuwd en werkte als organist in verschillende kerken van Brugge. Zijn devies was Virtus delectat. Dat betekent zoiets als: in deugd schep ik behagen. Hoewel zijn perikelen en zijn pennevruchten ten tijde van de Brugse kamers zeker boeiend zijn, gaat onze interesse vooral uit naar zijn relatie met de Sluizenaar Antoon Balckenende. 5 Beide mannen zouden elkaar kennen uit hun jonge jaren waarbij gedacht moet worden aan gezamenlijke bezoeken aan de herberg. Antoon was getrouwd met Margareta van der Speck, dochter van Johan van der Speck, griffier van het Vrije van Sluis en hij verdiende zijn geld in de graanhandel.

Huisdichter van Balckenende

Verschaffel laat Adriaan ‘vluchten’ naar het Noorden waarmee hij vermoedelijk Sluis bedoelt, een bewijs daarvoor levert hij niet. Huygebaert poneert een letterlijke ‘vlucht’ als vraag en vermeldt dat het manuscript veel strekkende meters tot glorie van Balckenende en de zijnen bevat. En of deze overvloed moest dienen als compensatie na de ruzies in Brugge zal verder onderzoek moeten uitwijzen. Uiteindelijk blijft ook Huygebaert aan de vage kant. Voor een vertrek naar Sluis wordt geen bewijs geleverd. Laten we kijken naar de feiten.

In 1714-1715 schrijft Adriaan zijn rederijkerstestament en betaalde hij zijn doodschuld aan het H. Geestgilde. Dat gebeurde in de regel bij overlijden, maar ook wel bij vertrek uit een kamer. Toen zou de ‘veelschrijverij’ over Balckenende begonnen zijn. Adriaan schrijft echter al in 1703 een gedicht voor Margareta van der Speck die voor haar verjaardag van haar man een clavecimbel krijgt. Er zijn ook voorbeelden uit 1707, 1708 en 1711 van gedichten voor Balckenende, dus voordat Van der Brugghe breekt met de rederijkers. Het blijft onduidelijk hoe het zit met de gedichten voor Balckenende voor en na 1715. De suggestie is dat er sprake is van een enorme toename na 1715.

Publicaties

Verhandelinghe Waegh-spelen 1716 TitelOordeelkundighe Ghilden-lof ghevest op het voordeel van het Al-ghemeene-best, tot roem en luyster vande konijncklijcke Waepengilden, met eene tussen vloeyende bemerckinge, of de waere en van alle geleerde hoogh-gheachte Reden-konst wel kan tot een ghilde voeghen, Brugge 1716 of later volgens Huygebaert. Het is een aanval op de rederijkerskamers.

Verhandelinghe van de waegh-spelen met kaert en teerlinghen, Brugge 1716 bij Paulus Roose. Een verhandeling tegen gokken en kaartspelen.

Het gaat bij Adriaan van der Brugghe inderdaad niet om wat hij gepubliceerd heeft, maar om wat hij heeft nagelaten in zijn manuscript. Dat is niet gering vanwege de omvang en de veelzijdigheid. Er zijn dichtwerken bij intredingen in kloosters, bij priesterwijdingen en bij huwelijksfeesten. Er is aandacht voor oorlogen, vieringen voor vrede, feesten voor koningen en andere heersers. Hij betrad ook het terrein van de politiek, de nieuwsgaring en de satire. En Adriaan schijnt bij dat alles een verdienstelijk dichter geweest te zijn. Mede gelet op het feit dat hij ruim een halve eeuw actief is geweest in Brugge en omgeving, zal hij een schat aan kennis opleveren, zowel fictief als feitelijk, van de samenleving waarin hij leefde en voor ons in het bijzonder mogelijk ook van de graanhandelaar Antoon Balckenende uit Sluis. Het manuscript is zonder meer de moeite waard om nader bestudeerd te worden.

Tot slot geven wij het woord aan Adriaan van der Brugghe. Hij troost Balckenende in de hongerwinter van 1708-1709 met de hoge graanprijs. Hij werd belasterd graan aan Holland te verkopen, waardoor de prijs werd opgedreven (Geen onbekend fenomeen in de omgeving van Brugge, we lezen al over graanwoeker in de spelen van Cornelis Everaert.). De titel van het gedicht is een jaarschrift:

zonDer sChVLt Door nYt gheLastert zYnDe

De kooren eedt, en wet van Brugghe weet ghewis,
dat hy noyt graen en quaem op vremde zolders legghen,
en dat hy daeghelyckx moet zelve goedt ontzegghen
aen d’aerme, die ghewent zyn voor een kleene prys
ghedient te wesen. Wie maekt u onnoosle wys
dat Balckenende graen naer Hollandt zoude stieren?
Wie kan zoo dom den toom van zyne boosheydt vieren?
6

Bronnen

1. Tom Verschaffel. De weg naar het binnenland. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1700-1800: de Zuidelijke Nederlanden. , Amsterdam 2017, 87.
2. Ibidem, 85.
3. Huygebaert, J., ‘Adriaan van der Brugghe (1664-1727) Brugges rederijkersgilden in en uit’, in Biecorf 110 (2010), 199-219. De verzamelband wordt bewaard in de openbare bibliotheek van Brugge als manuscript 706. Tenzij anders vermeld, komt alle informatie in dit blog van Huygebaert.
4. Het lijkt erop dat Verschaffel vooral of misschien alleen maar Huygebaert heeft gebruikt voor zijn verhandeling over Van der Brugghe. In geen geval wekt hij de indruk diens handschrift zelf gezien te hebben. Ook de gebruikte citaten zijn overgenomen van Huygebaert, overigens deels met een verwijzing naar verkeerde pagina’s.
5.  Balckenende wordt vooral besproken in Huygebaert 210-212. Behalve bij Huygebaert kan men voor de wederwaardigheden van Adriaan van der Brugghe als Brugse rederijker ook terecht bij: M. Luwel, ‘Twee achttiende-eeuwse Brugse auteurs in twistgeschrijf over de rederijkerskamers’, in: De Gulden Passer 30 (1952), 121-133. Eveneens te raadplegen via de DBNL
6. Huygebaert 211.

Geplaatst door Jan van Loo op 22 november 2017.

Een reactie plaatsen

(52) Adriaan Kluit en rederijkers

J. Ermerins

Steeds opnieuw blijkt het de moeite waard om de aantekeningen van oude en bekende onderzoekers te raadplegen. Deze keer gaat het om een handschrift van J. Ermerins met Aanteekeningen rakende het Gilde van Rhetorica te Vere. Met bijlagen. 1 Het resultaat is 4 nieuwe vermeldingen voor onze lijst “Rederijkers in Veere tot 1590”. 2

1564
“Betaelt ’t gilde van Rethorica de somme van twee ponden groo[te]n Vlaems hem luijden bij die van der Wet toegelegt van dat zij heden een spil van zinnen en[de] een esbatement op den xven Augusti anno deser Rekeninge gespeelt hebben, als blyct bij eene ordonnantie onderteekend bij den burghm[eeste]r mitgaders bij quitan[tie] van Cornelis pieters[en] Boeteman, Deken van ’t voorn[oemde] gilden, Dus hier de selve ij £.” [Stadsrekening Veere 1564, f. 64v]

1567
“Willem cos als prince van Rhetorica betaelt, de somme van twintich scell[ingen] grooten vlaems, van dat die van Rhetoricque een esbatement op den verzwooren maandach Anno deser Rekening gespeelt hebben als blyct bij eene ordonn[antie] enz[ovoorts].” [Stadsrekening Veere 1567, f. 80v]

1567
“Willem cos als prince van dat camer van Rethorica betaelt de somme van drie ponden vl[aem]s der voorn[oemde] Camer bij die van der wet geschonken ouer de moyte ende oncosten van ’t spelen van twee Spelen van Zinnen volgende eene ordonn[antie] enz[ovoorts].” [Stadsrekening Veere 1567, f. 101v]

1569
“Iacob Campe Ontfanger vande fortificatie, Die van de wet ordineren U te geuen Den Rethorikers de somme van twee pont thien schell[ing]e van dat zij lieden gespeelt hebben de historie van Missas in dit Iaar lxix d welck V passeren sal in Rekeninge mits thoonen[de] dese alleenlick, Gedaen in t Collegie van Wette den xvijen Decembris xvc Negen en Sestich(geteekend) Ierome de Rollé, R. Barradot, Adriaen Luijcx, Iob hugensz, S. Valerius Viringe, thomas paterssone.” [Stadsrekening Veere 1569]

Voorin in het handschrift is een blaadje geplakt met de namen van de personen die het eerder raadpleegden. Er staan maar twee namen op: Frederik Caland in 1888 en P.J. Meertens in 1925. Zij hebben het niet nodig gevonden om bovenstaande gegevens uit de stadsrekeningen op te nemen in hun publicaties.

266px-Adriaan_Kluit

Adriaan Kluit

Aan het begin van de aantekeningen staan ook notities van Adriaan Kluit, waarin hij laat weten dat deze gegevens hem zijn gesuppediteerd (verschaft) door J. Ermerins. Tevens blijkt dat Ermerins de geschiedenis van de rederijkers in Vere kon leveren en dat hij werkte aan een militair woordenboek. Beide werken zijn bij mijn weten nooit gepubliceerd en bevinden zich wellicht nog ergens in concept. Kluit weet namelijk over het woordenboek te melden: “Daar is zeer veel werk aan besteed en ligt in 4o vrij dik afgeschreven.” 3 Het is op z’n minst verrassend te noemen dat Ermerins zijn aantekeningen aan Kluit verstrekte. De laatste was weliswaar een prominent geschiedkundige en taalkundige met tal van publicaties op zijn naam, maar geschriften over rederijkers van zijn hand zijn er niet. Wel is het zo dat hij van 1768-1779 in Middelburg woonde en werkte en misschien kenden ze elkaar goed. Onduidelijk is wanneer Kluit het handschrift kreeg en hoe en wanneer het in het bezit kwam van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. 4 Over het handschrift in de volgende alinea valt op dit punt meer te vertellen.

Sluis

Dat was nog niet het geval toen ik erover schreef in BLOG 38: Wapenborden in Sluis, te weten over handschrift Ltk 372. Een handschrift met een bijzondere geschiedenis. Het was het eigendom van Adriaan Kluit die in 1807 professor te Leiden was en op het Rapenburg woonde. 1807 was voor Leiden het rampjaar waarbij een kruitschip de lucht in vloog en waarbij als gevolg daarvan Kluits huis instortte. Zelf liet hij daarbij het leven. 5 Een deel van zijn bibliotheek kon gered worden uit de puinhopen. Daartoe behoorde hoogstwaarschijnlijk ook Ltk 372. In het jaarboek van 1861 van de Maatschappij lezen we namelijk dat zij in mei verrast werd door een schenking van de familie Kluit van een paar koffers met papieren over vaderlandsche geschiedenis en oudheidkunde, die afkomstig waren van Adriaan Kluit. 6 Blijkens de vermelding in de catalogus maakte dit handschrift deel uit van de papieren in de koffers: Nota. van te Sluis in Vlaanderen op de Verbodskamer voor de schouwe hangende vijf geschilderde vierkante borden van Rhetorica. één bl. 4°. (A. K.) 7 De letters (A. K.) geven te kennen dat dit handschrift afkomstig is uit de letterkundige nalatenschap van Adriaan Kluit.

Vooralsnog kan niet vastgesteld worden dat Adriaan Kluit een buitengewone interesse toonde voor rederijkers, ook niet voor de Zeeuwse. We zijn echter wel blij dat deze handschriften er nog zijn, want alle informatie over de rederijkers uit Zeeland doet er toe.

Bronnen

1. UB Leiden Ltk 371, Ermerins, J., Aanteekeningen rakende het Gilde van Rhetorica te Vere. Met bijlagen. De weergegeven citaten staan op f. 2r en f. 2v.
2. Zie het gelijknamige BLOG. Download de complete lijst HIER.
3. Waarschijnlijk gaat het om het volgende manuscript dat bewaard wordt in de Zeeuwse bibliotheek: KLUIS Handschrift 6144, Jacobus Ermerins, Magazijns-woordenboek; vervattende eene beschrijvinge van alle soorten van vivres en ammunitiën van oorlog met de orders van den lande daarop zijnde, 1755, 165 p. (Alfabetische lijst van voorwerpen in gebruik bij het leger.)
4. De eerste vermelding in haar catalogus was in 1877. Catalogus der Bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, Leiden 1877. Eerste gedeelte, Handschriften, p. 25.
5. Wie meer wil weten over Kluits leven, leze: Lo van Driel, ‘De waarde van het verleden. Over Adriaan Kluit, een geleerde rector van de Middelburgse Illustre Schole’. In Archief 2014, 65-105.
6. Handelingen der jaarlijksche algemeene vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche
Letterkunde te Leiden, gehouden aldaar den 20 Junij 1861, in het gebouw der Maatschappij ‘tot Nut van ’t Algemeen’
. Z.p. z.j. [1861] pp. 27, 38 en 54.

7. Catalogus der Bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, Leiden 1864. Derde deel, Bijvoegsel over de jaren 1848-1862, p. 3.

Geplaatst door Jan van Loo 24 oktober 2017.

 

Een reactie plaatsen

(51) Publieksdag 2017

Beste lezers,

Vorige week is u per abuis een onvolledige versie toegestuurd van onze publieksdag. Daarop was te lezen dat de toegang gratis is, dat blijft ook zo, maar er hoort bij te staan dat dit mogelijk is door ondersteuning van de Werkgroep Cultuurhistorie van het Zeeuws Genootschap en de provincie Zeeland. Hierbij ontvangt u de correcte versie.

Publieksdag Rederijkers in Zeeland(2)-page-001